Previous
Next

Laure

17 jaar, Diest

Het is alsof we ons in een tunnel bevinden

die telkens als de uitgang in zicht komt,

 weer langer wordt.

Soms ben ik bang.

Bang voor de toekomst.

Mijn toekomst.

Maar ik durf vooral dromen.

Illustratie: © Imke Bogers

In september begon ik aan het zesde jaar van de middelbare school - vol goede moed, want het laatste jaar zou speciaal zijn en vooral leuk. Dat was zonder corona gerekend. Hoewel dat virus iedereen al maanden gek maakte, bleef ik optimistisch of misschien eerder naïef. Kies zelf maar.

Ik ben gedurende deze periode wel wat milder geworden. Het is alsof we ons in een tunnel bevinden die telkens als de uitgang in zicht komt, weer langer wordt. Er is een uitgang, maar op de vraag 'wanneer?' kan niemand een degelijk antwoord bieden. Soms zijn er kleine scheuren in de wanden die straaltjes hoop naar binnen doen sijpelen, maar veel van die scheuren worden, niet onterecht, weer afgeplakt. Ik begrijp de maatregelen maar al te goed, maar toch maken ze me ook verdrietig. Onterecht volgens sommigen, want dat wij geen oorlog hebben meegemaakt, is maar één van de verwijten die we naar ons hoofd geslingerd krijgen.

Natuurlijk ben ik dankbaar. Dankbaar dat ik een dak boven mijn hoofd heb, dat ik mag zijn wie ik ben en nog zoveel meer. En die anderhalve meter lijkt soms zo dichtbij. Maar mag ik daarom niet even jong zijn, gewoon eventjes genieten van mijn jeugdige leven? Moet ik daarom ‘het nieuwe normaal’ als een trofee hoog in de lucht steken? Geef mij dan toch maar het gewone normaal. Je weet wel, toen alles wat nu een gemis is, vanzelfsprekend was.

Nu hebben we te veel ruimte om na te denken, om geconfronteerd te worden met onze eigen angsten. Soms ben ik bang. Bang voor de toekomst, mijn toekomst. Bang om mensen die ik graag zie te verliezen. Maar ik durf vooral dromen. Dromen over een mooie toekomst, een toekomst waarin ik mijn eigen weg kan vinden. Dromen over mensen rondom mij die het leven aangenamer maken. Die dromen geven me hoop en doen me keer op keer opstaan als ik val of zelfs maar even struikel. Mijn dromen maken me sterker, maar tegelijkertijd doen ze me beseffen hoe zwak ik ben. Alsof er een touwtrekwedstrijd gespeeld wordt tussen angsten en hoop, tussen fictie en de werkelijkheid. Voorlopig viert die hoop zege, maar wat als dat op een dag niet meer zo is?